Wie doet wat?

Zoeken in WDW?



Voor vertrouwen is meer nodig dan het accepteren van de aangifte

Het komt in de fiscale praktijk vaak genoeg voor: een belastingplichtige neemt in zijn aangifte een standpunt in waarvan op voorhand niet duidelijk is of de belastingdienst het er mee eens zal zijn. Onder het motto van "we merken wel wat de belastingdienst er van vindt" gaat zo'n aangifte dan de deur uit en wordt de definitieve aanslag afgewacht. Als die aanslag vervolgens komt en de belastingdienst heeft geen correctie op de aangifte aangebracht, wordt opgelucht ademgehaald. Aangenomen wordt dan dat de belastingdienst het eens is met het ingenomen standpunt. De belastingplichtige neemt vervolgens in de jaren daarna hetzelfde standpunt in, maar wordt in één van die latere jaren toch nog gecorrigeerd door de belastingdienst. De verontwaardiging is dan vaak groot: de belastingdienst had de voorgaande aangiften toch ook geaccepteerd? In een dergelijke situatie wil de belastingplichtige nog al eens een beroep doen op het zogenaamde vertrouwensbeginsel.

 

Het vertrouwensbeginsel voorziet er in dat een belastingplichtige vertrouwen mag ontlenen aan een bepaalde gedragslijn van de belastingdienst ten aanzien van een door die belastingplichtige ingenomen standpunt. Met andere woorden: als de belastingdienst in een bepaald jaar een door de belastingplichtige ingenomen standpunt heeft geaccepteerd dan mag de belastingplichtige er op vertrouwen dat die acceptatie ook geldt voor latere jaren. De belastingdienst kan daar dan in principe niet zomaar op terug komen.
Maar het vertrouwen moet wel ergens op gebaseerd zijn. Een toezegging van de belastingdienst of een bepaalde handeling. Het vertrouwensbeginsel zal weinig soelaas bieden als het vertrouwen slechts ontleend is aan het enkel accepteren door de belastingdienst van een ingediende aangifte. Dit komt goed tot uiting in onderstaande, recente uitspraak van de Hoge Raad.

De belastingplichtige in deze kwestie was een ambtenaar die, naast zijn werk bij een gemeente, studio-activiteiten verrichtte. Hij maakte geluidsopnamen, gaf adviezen over audiotechnische zaken en verhuurde studioruimte. Hoewel de belastingplichtige zijn activiteiten zelf beschouwde als een onderneming (hij deed althans wel aangifte als ondernemer), leverden zijn activiteiten hem vanaf het begin alleen maar verliezen op. Na een paar jaar stelde de belastingdienst een onderzoek in en kwam de inspecteur tot de conclusie dat er geen sprake kon zijn van een onderneming. Met de belastingplichtige werd dan ook afgesproken dat zijn activiteiten in ieder geval fiscaal niet meer als bron van inkomen konden gelden.
De belastingplichtige voerde ondanks deze gemaakte afspraak in zijn aangifte over 2004 een negatief bedrag op als resultaat uit overige werkzaamheden. Hij deed inmiddels geen aangifte meer als ondernemer, maar als particulier. De aangifte 2004 werd zonder correcties door de belastingdienst gevolgd. Ook voor de jaren 2005 en 2006 voerde de belastingplichtige een aftrekpost op, maar nu werden deze aangiften door de belastingdienst wel gecorrigeerd. De behandelende inspecteur weigerde de negatieve bedragen als resultaat uit overige werkzaamheden mee te nemen.
De belastingplichtige ging zonder succes in bezwaar en beroep. Zijn argument was simpel: de belastingdienst heeft de aangifte 2004 afgehandeld zonder de aangifte te corrigeren. Daaruit mocht volgens de belastingplichtige het vertrouwen worden ontleend dat de belastingdienst ook voor de jaren daarna het negatieve bedrag als resultaat uit overige werkzaamheden zou accepteren.
Zowel de Rechtbank als het Hof zijn het hier niet mee eens. Uiteindelijk kwam de zaak nog voor de Hoge Raad, maar die wees het beroep van de belastingplichtige af zonder verdere motivatie. Een handelwijze die de Hoge Raad alleen toepast als de motivering van het Hof reeds voldoende duidelijk is.

 

Het Hof had duidelijk uitgelegd hoe het zat: het enkel accepteren van een aangifte is onvoldoende om een beroep te kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Anders wordt het als een belastingplichtige zelf nadrukkelijk (en gemotiveerd) het ingenomen standpunt onder de aandacht van de belastingdienst heeft gebracht. Als de belastingdienst dan de aangifte volgt, mag de belastingplichtige hieraan het vertrouwen ontlenen dat de belastingdienst over dat specifieke element heeft nagedacht en het met de verwerking ervan in de aangifte eens is.
Dat is ook het geval als, vóórdat de aanslag wordt vastgesteld, er overleg plaats vindt tussen de belastingdienst en de belastingplichtige over het ingenomen standpunt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de belastingdienst een vragenbrief stuurt waarin meer informatie wordt gevraagd. Als je als belastingplichtige deze vragenbrief beantwoord (met de nodige bewijsstukken) en de aangifte wordt vervolgens zonder verdere aanpassingen afgehandeld, dan mag daaraan vertrouwen worden ontleend.

In de besproken casus is daarvan allemaal geen sprake. Sterker nog, er ligt zelfs een controlerapport waarin duidelijk is opgenomen dat de negatieve resultaten uit de studio-activiteiten geen bron van inkomen meer vormen. Dat betekent niet alleen dat er geen sprake is van winst uit onderneming, maar ook niet van resultaat uit overige werkzaamheden. Om van een dergelijk resultaat te spreken is immers ook een bron van inkomen nodig.
De enige bijzondere omstandigheid die de belastingplichtige in de casus nog kon aanvoeren bij zijn verdediging was het feit dat hij vanaf het jaar 2004 geen winstaangifte meer indiende, maar een aangifte als particulier. Een dergelijke biljetwissel had naar zijn mening bij de belastingdienst toch een belletje moeten laten rinkelen. Het Hof was dat echter niet met hem eens. Alleen een biljetwissel was te weinig om vertrouwen aan te ontlenen.

Hoewel de belastingplichtige in deze casus dus weinig kans op een goede afloop had, komt uit de uitspraak wel duidelijk naar voren hoe het vertrouwensbeginsel en de afwikkeling van een aangifte zich tot elkaar verhouden. Wie een standpunt inneemt in zijn aangifte waarvan de fiscale uitwerking voor discussie vatbaar is, zal niet zonder meer kunnen aannemen dat de belastingdienst het eens is met zijn standpunt als alleen de aangifte wordt gevolgd. In een later jaar kan de discussie alsnog oplaaien en hoeft de belastingdienst geen rekening te houden met hoe de aangifte eerder is afgehandeld. Wie echt zekerheid wil doet er goed aan de kwestie zelf vooraf bij de belastingdienst onder de aandacht te brengen. Als de belastingdienst dan haar goedkeuring geeft, is dat iets om met succes vertrouwen aan te ontlenen.

 

 

« terug naar het overzicht